Bij het schrijven van van de roman over mijn oma, Gertrude Elisabeth Smitt-de Klerk heb ik verschillende ‘magische objecten’ tot mijn beschikking: Haar haren. De huwelijksbijbel van mijn grootouders uit 1930. De dokterstas van Truus haar vader Adriaan Cornelis Smitt. Een houten kist van handzaam formaat en een fotoalbum uit de jaren 1930, gemaakt in het toenmalige Nederlands-Indië. En er zijn veel gebouwen waar zij in woonde en werkte. In deze serie zal ik elk object aan het woord laten.
De huwelijksbijbel spreekt boekdelen, maar wel in raadselen. De kunst is om de aanwijzingen tot me door te laten dringen. Emoties op te laten wekken en zo een verbinding aan te gaan met mijn oma. Bijna 100 jaar geleden, op 27 februari 1930, was het een nieuw boek, bruin met zwarte kaft, de randen van de bladzijden prachtig goud. Nu is de titelpagina vergeeld met bruine vlekken. In keurige letters met kroontjespen geschreven door Ds. Visser, die het huwelijk inzegende, de namen van mijn opa en oma, de datum, de naam van de Kerkraad. En Efeze 5 vers 25 “Gelijk Christus zijn gemeente heeft lief gehad.” Tussen de bladzijden 1102 en 1103 van het boek Efeziërs 5 zitten gedroogde bloemen. Uit het huwelijksboeket? Het zou zomaar kunnen. Ik kan niet opmaken uit de foto’s welke bloemen in het boeket zaten.
Op het titelblad staat het nummer 22068 in paars potlood en La. Trivelli 125. Is doorgestreept met gewoon potlood en er is 17404 boven geschreven. Toen Truus in 1942 met haar vier kinderen geïnterneerd werd door de Japanners was haar gevangenen nummer 22068. In 1944 werden alle vrouwen en kinderen officieel ‘krijgsgevangenen’ en kregen ze een ander nummer: 17404. Laan Trivelli 125 was haar adres in het kamp Tjideng waar ze in 1945 gevangen zat.

Links bovenin op het titelblad staat een stempel met het cijfer 508 er bij geschreven. Ik gok dat het een registratienummer is. Mijn oma werd door de Kerkraad in Bandung benoemd tot dominee in het kamp Kareës. De eerste Japanse Commandant van Kareës was een Christen. Hij vroeg mijn oma voor hem te bidden en hij bezocht de kerkdiensten die zij leidde. In tegenstelling tot veel boeken die werden verbrand, mocht mijn oma dit boek behouden.
De bladzijden zijn flinterdun. Ik heb ze stuk voor stuk omgedraaid. Want mijn oma heeft het hele boek vol gekalkt. Ze onderstreepte veel versen, in de Psalmen en in boeken in het nieuwe testament. Voornamelijk met paars potlood en later ook grijs. En in blauwe zwarte pen. Waarom het merendeel in paars potlood? Hoe kwam ze hier aan? Vooral in oktober en november 1944, toen ze diensten gaf, kinderen doopte, lidmaten bevestigde, kinderkerk hield en eindeloos Bijbelstudies gaf aan de vrouwen.
Ik moet huilen als ik lees in de kantlijn bij Marcus 10:13: Voor Jaapje Karees 1944. Het vers gaat over de kinderen die worden gezegend door Jezus zelf. Eind november 1944 werd mijn oom Jaap jr. weggehaald bij zijn moeder en naar een onbekend kamp gestuurd. Hij was toen bijna 13, ze wisten dat het er aan zat te komen, want de jongens werden steeds jonger weggehaald bij hun moeders. Ik hoop dat ze het vers voor hem heeft op kunnen schrijven, ook al was er toen nauwelijks meer papier in het kamp. Of ze heeft het hem uit zijn hoofd laten leren?
De vrouwen werden niet zachtzinnig behandeld in de kampen. Ze kregen net niet voldoende eten, ze moesten zelf al het werk uitvoeren van riolen schoonmaken, tot lijkenkisten bouwen en eten verbouwen. Er heerste heel veel tropische ziekten en de meesten die het niet overleefden stierven aan dysenterie. Van de weinige medicijnen die het kamp binnen kwamen via het Rode Kruis, waren de etiketten afgehaald. Er waren zware straffen voor de vrouwen die niet op tijd op appel verschenen of niet diep genoeg bogen voor de Japanse Keizer. Mijn oma heeft veel teksten onderstreept die dubbelzinnig kunnen worden uitgelegd. Over eten en drinken, gevangenschap, over het Woord van God, over op Hem vertrouwen, over Hem verloochenen. Het boek 1 Petrus 2 vers 9, 10, 11 en 20 gaat over dienstbaar zijn, zelfs aan een slechte heer. Ze schreef er bij 5 juli 1944. Heeft ze die dag haar eerste onderhoud gehad met de Japanse Commandant, waarover ze later verslag deed aan de kerkraad? Veel van de data die zo noteerde waren geen zondagen, maar dinsdag of woensdag. Waren dat de dagen dat ze Bijbelstudie gaf?
Bij Hebreërs boek 5 vers 14 Maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads, heeft ze aan het einde geschreven: Halleluja! Psalm 107 stond centraal bij de dienst op zondag 12 november 1944, heeft ze er met zwarte pen bij geschreven. En Psalm 140 heeft ze op die dag voorgelezen.
Tjideng 9 maart ‘45 (een vrijdag) staat er bij Mattheus 7:7: Vraag aan God en je zult ontvangen. Als ik dat lees dringt het pas werkelijk tot me door: Ze zaten daar echt, het was geen verzinsel of spannend verhaal. Ze hebben die hel echt doorstaan! En dan willen lezen, met andere uitgehongerde vrouwen: vraag aan God en je zult ontvangen. Het geloof van mijn oma stond als een rots!
Mevrouw Bolhuis-Schilstra getuigd in haar dagboek dat bewaard is gebleven, over mijn oma: 1 juli 1945 Zondag. Godsdienstoefening door Truus de C. Alleen gebed, zang en bijbellezen weer toegestaan op het Ampasaethofje, ook een R.K. dienst. Truus maakt van dit gebed alles en haar keuze van gezang was uitstekend.
De Bijbel roept, net als alle objecten, meer vragen op dan dat ze beantwoorden. Het zou gemakkelijk zijn geweest als ik alles kon verifiëren met iemand die me zou kunnen zeggen: ja, zo was het! Maar dat gaat helaas niet meer. Alleen mijn jongste oom leeft nog, hij was vijf toen ze uit het kamp bevrijdt werden door de Engelsen. Hij weet heel weinig meer van het Jappenkamp en hij wil er eigenlijk ook niet veel over vertellen. Mijn andere ooms en mijn tante zijn al jaren geleden overleden. Mijn moeder werd pas na de oorlog geboren.
Het raakt me, dit monument van een boek, dat zo veel heeft meegemaakt, zo lang in kasten heeft gestaan en wereldreizen heeft gemaakt. Het probeert me zo veel te vertellen en het geeft me zo weinig concrete antwoorden. Ik neem de vrijheid om de aanwijzingen te interpreteren zoals ik dat goed acht. Met de emoties die het oproept als leidraad en mijn blik op de Franse horizon. Waar de voorjaarszon achter de wolken vandaan komt, en de hemel avondroze kleurt, terwijl ik dit schrijf.