Bij het schrijven van van de roman over mijn oma, Gertrude Elisabeth Smitt-de Klerkheb ik verschillende‘magische objecten’ tot mijn beschikking: De huwelijksbijbel van mijn grootouders uit 1930. De dokterstas van Truus haar vader Adriaan Cornelis Smitt. Een houten kist van handzaam formaat en een fotoalbum uit de jaren 1930, gemaakt in het toenmalige Nederlands-Indië. En er zijn veel gebouwen waar zij in woonde en werkte. In deze serie zal ik elk object aan het woord laten.
Mijn oma Truus had een veelbewogen leven. Letterlijk, want ze woonde op veel verschillende plekken in Nederland en in Indonesië. Geboren in 1908 in Amsterdam, in de toenmalige nieuwbouwwijk rondom het Wilhelmmina Gasthuis, achter de Overtoom. naar Rotterdam verhuisd toen ze twee was. In Utrecht gestudeerd, inwonend bij haar oma in Zeist. Pas getrouwd in Lellens en daar na in Sellingen. Vervolgens per schip verhuisd naar Buitenzorg in Indonesië. Geïnterneerd door de Japanners in Bandung en Batavia. Geëvacueerd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog woonde ze met haar hele gezin bij haar moeder in Santpoort-Noord. Toen weer naar Indonesië, in Batavia, haar man achterna. Vervolgens in Heemstede, Hattem en Den Haag. Ik heb al die plekken online opgezocht, gemarkeerd en van de gebouwen een screenshot gemaakt. Niet alle gebouwen zijn nog hetzelfde als in de tijd dat mijn oma er verbleef.
Het gebouw aan de Schiedamse Singel 77a in Rotterdam, waar mijn oma opgroeide en haar vader zijn dokterspraktijk had, heeft de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog niet overleefd. Evenals het gebouw waar mijn oma naar het gymnasium ging aan de Coolsingel. Nummer 22 op de Duinweg of Duivelslaan in Santpoort is door hernummering later nummer 10 geworden. Bovendien is de villa op dit adres, waar mijn overgrootouders in 1929 kamers huurden, afgebroken.
Het huis aan de Middenduinerweg 63, waar mijn moeder in 1947 werd geboren staat nog overeind. Ik ben er tig keer langs gefietst toen in ik Haarlem-Noord woonde en in de avond een rondje door de Kennermerduinen ging fietsen. Ik stak dezelfde spoorwegovergang over, waar zij ook liep met een kinderwagen waar mijn moeder in lag. En ook de kerk waar hun huwelijk in 1930 voltrokken werd in Santpoort Noord, staat er nog. Het is nu een cultureel centrum.
De pastorieën in Lellens (1886) en Sellingen (1912) waar mijn grootouders hun eerste huwelijksjaren sleten, staan nog fier overeind, ondanks alle aardbevingen in de provincie Groningen. Ik ben er in december 2025 binnen geweest, ruim 90 jaar na mijn oma. Ik ben in haar voetsporen getreden. Ik heb rondgelopen in de kamers, rondom het huis en in de tuin. Ik heb de kerken bezocht en in dezelfde banken gezeten als zij. Met mijn blik op het preekgestoelte waar haar man elke zondag preekte. De wind in de bomen rond de kerk in Lellens gehoord, het uitzicht over de weilanden gezien, het uurwerk horen tikken in de kerk, nog hetzelfde als 96 jaar geleden. Ik heb in hetzelfde spreekgestoelte gestaan, met een Statenbijbel uit de 17e eeuw, waar zij ook stond met te preken tijdens Pinksteren in 1935, toen ze haar man verving. Het uitzicht op een foto uit 1936 vanuit de voorkamer van de pastorie in Sellingen, op de kerk, is onveranderd. De beukenboom is er ook nog, alleen is die 90 jaar dikker en hoger.
Ook de pastorie in Batavia waar mijn grootouders woonden van 1949-1951 samen met hun jongste twee kinderen, mijn moeder en mijn jongste oom, is nog helemaal in tact. Mijn moeder bezocht samen met mijn zus in 2006 de pastorie en maakte de foto na, die er gemaakt werd van het gezin in 1949. Ze bezochten ook de plekken waar mijn grootouders op Java opgesloten waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een bijzondere reis, omdat van de meeste Jappenkampen nu niks meer te herkennen valt. Ze waren in gewone woonwijken ingericht, niemand van de huidige bewoners weet wat er zich daar 70 jaar geleden heeft afgespeeld.
Toen ik contact zocht met de Utrechtse Vrouwen Studenten Vereniging, waar mijn oma vice-praeses was in 1928, kreeg ik al haar bij hen bekende adressen in Utrecht en omgeving, tijdens haar lidmaatschap. Zo ontdekte ik dat mijn oma in 1926 een tijdje woonde aan de Prins Hendriklaan 47. Het is om de hoek van waar mijn moeder sinds 1983 woont. We hebben het nooit geweten! Ik ben al 1000 keer langs dat huis gefietst. ’s Avonds loop ik een rondje door het Wilhelminapark met mijn moeder in april 2025, 100 jaar later. We lopen langs het huis, met flinke voortuin. Het is een smal huis met een bovenwoning. Ik bel aan, maar er doet niemand open. Ik tuur door de ruit. Er is een kleine voorkamer met een schouw. Huurde ze hier de voor- of achterkamer? Liep mijn oma net als wij een rondje door het park? En fietste ze door het park naar de stad, zoals ik deed als tiener?
Elke keer als ik me op plekken begeef waar ik zeker weet dat zij ook is geweest, dan reis ik door de tijd naar haar leven. De gebouwen fungeren als een soort kompas, ze maken me letterlijk wegwijs in haar leven. Natuurlijk is het er nu anders. Maar als ik ter plaatse ben, kan ik me werkelijk indenken hoe zij zich daar heeft bewogen, wat ze deed, hoe ze functioneerde en welke emoties ze daarbij heeft ervaren. De verbinding met haar, met haar leefomstandigheden, met wie zij was wordt hierdoor versterkt. Haar verhaal krijgt een grondslag in mij. Het bezoeken van die plaatsen, mijn inlevingsvermogen en schrijftalent helpen om een realistisch en herkenbaar verhaal te schrijven. De feitelijke gebeurtenissen resoneren dusdanig in mij, dat ik het levensverhaal van mijn oma weer levendig maak en interessant genoeg voor anderen om te lezen. Of zoals Patrick Modiano schreef in Rue des boutiques obscures (1978): “Je crois qu’on entend encore dans les entrées d’immeubles l’écho des pas de ceux qui avaient l’habitude de les traverser et qui, depuis, ont disparu. Quelque chose continue de vibrer après leur passage, des ondes de plus en plus faibles, mais que l’on capte si l’on est attentif.”