Ik heb altijd als grap gezegd: als we insneeuwen zit de diepvries in ieder geval vol, elk seizoen houden we eten over uit het restaurant. Bovendien had ik voor kerst nog tien kilo lokaal rundvlees gekocht.
Als ik op 5 januari met onze Citroën C4 onze toegangsweg opdraai ben ik verbaasd over de dikke laag aangereden sneeuw die daar op ligt. En het is glad. De hele dag is de temperatuur onder nul gebleven en een stel jagers hebben hun zondag besteed met op en neer rijden over de weg om zwijnen te zoeken. De eerste kilometer gaat goed. Ik rij voorzichtig maar niet te langzaam. Tot ik bij de eerste steilere bocht in een slip raak. De auto laat ik voorzichtig achteruit zakken en ik probeer het opnieuw. Geen houden aan. We zitten vast.
Boos bel ik de burgemeester, die ik die ochtend vanuit de trein al heb laten weten dat de weg slecht begaanbaar is. Ik ben gewaarschuwd door onze medewerker, die ons ook komt ophalen van het TGV station. De burgemeester is de situatie gaan bekijken en zei me dat de weg begaanbaar is. Nou, nu niet meer! De weg moet schoon! Morgenochtend moet ik mijn zoon naar het station kunnen brengen, zodat hij naar school kan. Ze gaat kijken wat ze kan doen. Vervolgens bel ik onze benedenbuurman en boer. Hij komt meteen naar ons toe gereden en probeert het ook, helaas ook hem lukt het niet. In z’n achteruit? Ja dan wordt de duwkracht, trekkracht. En het lukt om de eerste helling op te komen. Daar keert hij de auto en ik rij de volgende kilometer, langs het meertje. Dan volgt de volgende bocht met een verraderlijk hellinkje bij het jagershutje. Het lukt ons niet de auto omhoog te krijgen, zelfs niet in zijn achteruit.
Ik bel mijn lieve man, die 800 kilometer verderop onze goede Toyota met vierwielaandrijving heeft. Zodra ik zijn stem hoor knap ik. Ik barst in tranen uit. De woede komt als een storm opzetten en een weiland paaltje moet het ontgelden. Tim ook, want ik schreeuw in de hoorn: Ik wil zo graag naar huis! Ik ben al twee weken aan het vechten tegen de heimwee, nu kan ik ons huis zien liggen, in de sneeuw en opkomende mist. De burgemeester is inmiddels met manlief gearriveerd. We laten de Citroën staan en de burgemeester brengt ons thuis. We hebben een uur gedaan over nog geen 4 kilometer. De man van de burgemeester komt zoonlief de volgende ochtend ophalen, om hem naar het station te brengen. Hij rijdt nog steeds fluitend op en neer.
Ik blijf alleen achter. Ik laad de accu van de bedrijfsauto op, dan kan ik in ieder geval weg als dat nodig is. Terug is een ander verhaal, daar wil ik niet aan denken. Ik check de de volle diepvriezen. De verwarming loeit, de houtkachel brandt, de elektriciteit houdt het en dus heb ik wifi en mijn verbinding met buiten. De nachten daarna daalt de temperatuur tot -11.
Eerst ben ik chagrijnig, maar maandagavond volg ik online een yogales en dan valt er weer een kwartje. Ik wilde zo graag naar huis, nu blijf ik ook echt thuis. Ik ga nergens meer heen, behalve te voet. Ik ben ingesneeuwd. Ik zit vast en toch laat ik los. Ik land in mijn huis en in mezelf. Het gaat niet zomaar. De yogales helpt me om me over te geven aan deze situatie. Wetende dat donderdag het weer zal veranderen. Wetende dat ik maar een kick hoef te geven allerlei lieve mensen me ogenblikkelijk komen halen of bevoorraden. Het is maar drie dagen. Ik behelp me met wat er is en eet de diepvries iets leger.
